Kinderen te vondeling leggen is een primitieve vorm van gezinsplanning die over gans Europa voorkwam, en sporadisch nog voorkomt. Het is vooral een stedelijk verschijnsel, in een kleine gemeenschap is het nu eenmaal moeilijker om een zwangerschap, laat staan een bevalling, geheim te houden. De eerste vondelingtehuizen werden opgericht in Italië, het allereerste in Verona in 1426 door een aantal notarissen, na een pestepidemie. Door de archieven van die eerste vondelingtehuizen weten we dat er een periode van grotere toevloed aan vondelingen was in de jaren rond 1650 en een tweede periode van 1750 tot 1870.
Tijdens de Franse Republiek werd het in de gebieden onder Frans bewind verplicht om vondelingregisters bij te houden. Daardoor zijn er gegevens over de vondelingen beschikbaar in veel van de grotere steden in Zuid- en West-Europa.
Ook voor Gent hield de Commissie van Burgerlijke Godshuizen dergelijke registers bij. Deze bevatten heel wat interessante gegevens. De ambtenaar noteerde de vinddatum en -uur, de vindplaats, de kleren die de vondeling aanhad en eventuele de herkenningtekens die de moeder had aangebracht om later in betere tijden haar kind terug te kunnen krijgen. Die tekens waren soms een paternoster, een medaillon, een geschreven biljet, dikwijls ook een prentje in twee gesneden (de andere helft behield de moeder als bewijsstuk) of soms gewoon een lapje stof. Verder werd genoteerd bij welk pleeggezin ze terechtkwamen en wanneer welke sommen betaald werden of wanneer kleren gegeven werden. Bij hun twaalf jaar zit er gewoonlijk een briefje van de pastoor dat ze hun communie gedaan hebben, waarbij de laatste keer kleren gegeven werden. Briefwisseling over de kinderen werd ook in de registers bewaard.
Deze gegevens zijn zo waardevol omdat ze een stuk geschiedenis laten zien van de armste bevolkingsgroepen die meestal zelf nauwelijks geschreven sporen nalaten.
Vooral in Frankrijk, Italië en Spanje hebben wetenschappers deze archieven gebruikt om een stuk lokale sociale geschiedenis te beschrijven.
Aanvankelijk werden de kinderen te vondeling gelegd op plaatsen waar de kans om ze te vinden groot was: ’s morgens in het portaal van een kerk, ’s avonds aan de ingang van een “Cabaret”. Soms werden ze ook gelegd in de portiek van een gezeten burger. In veel steden werd een vondelingenschuif geïnstalleerd, zodat het kind niet te lang aan de weersomstandigheden werd blootgesteld. In Gent gebeurde dat in 1820 in het instituut van Sint-Jan-in-d’Olie aan de kant van de Oude Schaapsmarkt – de legendarische Rolle. Voorspelbaar: de eerste vondeling in de Rolle (2 februari 1820) werd Ambroise den Eersten genoemd. De beslissing om de vondelingschuif te plaatsen wordt vaak aan Napoleon toegeschreven, maar hier blijkt dat pas in volle Nederlandse tijd gebeurd te zijn.
Het aantal vondelingen nam zo toe dat er een diepgaande studie werd opgesteld naar het nut van de "rolle". Op basis van dat onderzoek besliste de Gentse gemeenteraad op 30 mei 1863 om de Rolle dicht te metsen. Dit had direct resultaat, want na het sluiten van de rolle bleek dat steeds minder kinderen te vondeling werden gelegd. Het eerstvolgende kindje werd gevonden op 24 juni 1863 voor de voordeur van het Bureel van Weldadigheid (bron: registers). Hij kreeg de naam Eugenius Ador.
Onze collectie loopt van 1790 tot 1922 en beschrijft daarmee: het Ancien Régime, de Franse Republiek, het Franse Keizerrijk, het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden en het Belgisch Koninkrijk. In de registers kunnen we volgen hoe vondelingen eerst geregistreerd werden door de ArmenCaemer (ingesteld door Keizer Karel in 1535) en vanaf 1797 door het Bestuur der Burgerlijke Godshuizen (in enkele gevallen kwamen ze terecht bij het Bestuur der Weldadigheid).
Hoe verliep het nu verder met zo een vondelingleven? Een typisch vondelingleven kunnen we met één woord karakteriseren: kort. Een vondeling werd opgenomen, van nieuwe kleertjes voorzien, geregistreerd met zijn of haar nieuwe naam en stierf dan vaak binnen de maand. In het kinderziekenhuis van het Godshuis waren er weliswaar permanent twee tot drie voedsters aanwezig, maar mede daardoor werden ziektekiemen gemakkelijk verder verspreid. Bovendien waren de moeders die hun kinderen afgestaan hadden dikwijls zelf al ziek of ondervoed.
De kinderen werden voorzien van een tinnen oorplaatje met hun nummer (oorspronkelijk een halsketting, maar dit bleek niet praktisch bij het opgroeien). Dat plaatje werd verwijderd als ze zes jaar werden omdat ze verondersteld werden dan hun eigen naam te kennen. Wie de eerste dagen overleefde en redelijk gezond was, werd uitbesteed bij een pleeggezin dat hiervoor een vergoeding kreeg. Die vergoeding stopte als ze twaalf jaar werden, men ging er blijkbaar van uit dat ze van dan af zelf voor hun kost konden werken.
Van de opvang in die pleeggezinnen vinden we enkele sporen in de briefwisseling die in de registers bijgehouden werd. In sommige pleeggezinnen werden de kinderen als een eigen kind behandeld (d.w.z. soms goed, soms minder goed): sommige pastoorbriefjes bij de communie van de vondeling gebruiken de familienaam van het pleeggezin in plaats van de vondelingennaam, een duidelijk bewijs dat de vondeling als deel van het gezin beschouwd werd. In één geval werd het kind meegenomen toen het gezin emigreerde naar Detroit (USA), in een ander werd een geboortebewijs gevraagd vanuit Parijs. Ook hier is duidelijk dat het kind bijgehouden werd, zelfs als men moest afzien van het pleeggeld en er zelfs extra geld moest aan besteden. Af en toe zien we ook de vermelding:”afgedankt, wegens niet aangeboden”. Er zijn diverse mogelijkheden waarom de pleegouders zich niet meer aanboden, maar één mogelijkheid is dat ze het vernederend vonden om zich aan te bieden met vondelingen die ze als hun eigen kinderen zagen.
Bij enkele geregistreerde kinderen zaten er brieven van buren die verontwaardigd waren over de manier waarop de kinderen behandeld werden, of omdat de kinderen tot bedelarij aangespoord werden. Enkele keren moest het pleeggezin melden dat het kind gevlucht was…
Door ambtenaren van het Bureau werden soms inspectiereizen uitgevoerd om de omstandigheden in de pleeggezinnen te onderzoeken, maar we vonden slechts sporadisch een verslag daarvan. Het is niet onmogelijk dat we die op een andere plek in het archief nog zullen terugvinden.
|